Hoe is.
Hoe is alles.
Een draai op je weg.
Een keer op je route.
Wat weet niet wat.
Niets weet van niets.
Weet hoe.
Hoe anders.
Hoe alles is anders.
Hoe alles is ding.
Als je op je zij op de bank ligt, kan je de top van de boom zien.
De lente komt met knoppen.
De middag valt op je gezicht, en komt warm lepeltje-lepeltje.
Buiten hoge hakken.
Het bliepje van je email.
In de keuken druppelde koffie.
De kat krabde aan de deur, de tuin zuchtte.
De buurvrouw in het trapportaal.
De krant viel, de ochtend sloop.
Gisteravond...
Ze draaide zich om, trok het kussen onder haar hoofd en schoof het gordijn opzij.
Het grijze licht viel lusteloos.
Ze kneep haar ogen dicht en vroeg zich af.
Een paar tuinen verderop zong een man een soort van liedje.