Dat we samen sliepen en liepen
langs een dalend pad naar het strand
op een witgekalkt bed
met de deur altijd open
Waar we verbrandden in zon en zout
waar het trekken van je huid
het duwen van je liefde werd
Waar je zwom door een grot
En ik wachtte aan de overkant
Dat je, als een vis langs mijn lichaam,
in duisternis verdween