Het begint
met bloed in een wolkje
je komt boven voor lucht
Eerder, er was
een vis langs je been
een stap op iets scherps
Nu
brandt er licht onder water
ergens zingt een machine
jouw en mijn naam
In een haven op de rand
wiegt een bootje in slaap
In vol licht op de tast
naar deuren en handen
je probeert niet
te vinden maar
te worden gezocht
je lekke kop loopt
druppel voor druppel
leeg als een emmer
Achter iedere deur is iemand thuis
en jij belt
je eigen nummer
de lucht, net nog vol met zuurstof
stopt hakkelend met ademen
Dan is er
de wens van je meisje
nog voor de zomer toeslaat
nog 1 keer, laatste keer
drinken in de schaduw
maar liefst in open veld
met plannen en ideƫen
dat alles al gedaan
(en achter elke oude heuvel
groeit stilletjes een nieuwe)
Weet je nog hoe we
1. verdwaalden?
2. in slaap vielen?
3. een kamer vonden?
tussen muur en druppels schuim
hield je een zelfbedacht dier
krachtig aan de riem
We bouwden een dam en
voerden oorlog
buiten adem en bereik
Dat iedereen veilig terugkwam
was puur en zout geluk
De nacht kleeft in je haar
tussen zuchtende huizen
en straten van leer
Kruist een wolk je pad
een somber plukje mist
't ademt achter je oor
en is weg als je omkeert
Het ritme van je stappen
echoot hoog en omlaag
je rent rondjes om blokken
en ziet jezelf van achter
Het park voelt thuis
ondanks buiten en nat
Vandaag de dag dat je stopt
bevriest op drukke straat
je handen vol van ongeduld
en aan de overkant het huis
waar je ooit zag dat
en je zou doen als
Niets meer van toen
is niets minder nu
Er komt een stilte door de middag
het begint met een stap
met een vraag of
een herinnering
Het is een roemloze middag
op een zonderling strand
Een opgezet idee
een dribbelend moment
Je moet bukken voor een vogel
je omdraaien naar een meisje
Je wilt meer doen met een landschap
dan er vruchteloos naar kijken
Een aardig vogeltje
maakt het geluid van je mobiel
Een stad als een raster
met de zon op het plein
en op het plein dan de mensen
Die zien hoe jij langsloopt
in slowmotion reclame
een geluidloos moment
Van waarde bekomen
Een waardeloos geval
een snurkend geweten
Dan
zo middenin een nacht
ben je wakker als de enige
en wakker dat je was!
Pak pen
pak papier
pak je dromen bij de strot
schrijf ze op zoals ze waren
want god wat zijn ze waardevol
En straks, als iedereen waakt
zullen ze luisteren en knikken
De nacht dat wij sliepen
heb jij o zo nuttig doorgebracht
ergens
meer van waarde
Daar ergens
waar het toe doet
De langste dag glijdt
als teer onder de deur door
Je zou van alles moeten doen
maar de absolute noodzaak
heeft zich erg goed verstopt
Dat we samen sliepen en liepen
langs een dalend pad naar het strand
op een witgekalkt bed
met de deur altijd open
Waar we verbrandden in zon en zout
waar het trekken van je huid
het duwen van je liefde werd
Waar je zwom door een grot
En ik wachtte aan de overkant
Dat je, als een vis langs mijn lichaam,
in duisternis verdween
ik sta in de rij
en wacht op antwoord
op parkeerplaats en station
het zoemen van de avond
tussen momenten van opstaan
en betalen, bestellen en plaatsnemen
bellen afspreken voorstellen ontmoeten
de seconde van herkenning
en het voornemen te doen
het feestje zonder einde
en het eindeloos gesprek
Dus probeer te luisteren
hoe je zingt door de glimmende straat
onderweg naar huis
en halverwege refrein
Stem je jezelf in een waaiwoord
als de ononderbroken daling
voelt als oprecht stabiel gedrag
Het stuur in je handen
zit ergens toch aan vast
Je wordt doorzichtig
tegen je zin in
De wind door mijn haar
en mijn hand door je lichaam
Je wil niet weg
Je wil aanwezig
Maar hoe je te verzetten?
Je vervaagt tot zand en ruis
tot schuimkoppen op water
Vlak voor het licht je opneemt
is er iets dat je wilt zeggen
Ik draag je de trap af
met frisse haren, je nek
gewassen
je ruikt naar kinderen
en toen
Gewichteloos op het tapijt
ik kam je blonde haren
druk voorzichtig je mondhoeken
in een meisjesachtig lachje
een kuiltje in je wangen
Ik zet muziek op en beweeg je
tot je toegeeft
en me uitlacht
Het is
niet echt
het is de spiegel
in spiegelbeeld
Het is de brandende metro
die geruisloos binnenrijdt
en niemand reageert
Het is
de lichtknop zwevend
boven het nietsvermoedende plein
De gier in het raam
de plotselinge nacht in de hal
Het is het maken van beslissingen
de handen onder water
de hyperechte wereld
de twijfelende mens
Om terug te komen
wederom
herhalen wat
de tijd heeft weggepoetst
Om terug te komen
je moet presteren
je moet
erop uit
de nacht door, glashelder
Ontwaken in water
in een koude rilling
een gewichteloos bed
tijdloos witte kamer
een wachtende knop
Doe toch iets
doe toch iets meer
Meer en
opnieuw meer
opnieuw meer
Herinneringen aan een zwembad
aan het gevoel van
zitten op de gladde bodem
met de bellen in je longen
en meisjesbenen
waterschoentjes
geluidloos spartelend
Het bos dompelt je onder
strekt tot waanzin om het water
dat je in je handen houden wil
wegsijpelen
In de rust tussen twee momenten
jammer dat we niet...
je kijkt op in het donker
zoekt het dichtsbijzijnde licht
en draait het uit
Een week
gevoel van wachten
Een werk
onafgerond
Een wandeling
herhaald
Een rustpunt
erachter
Een rivier
achteruit
Een prachtig voor
uitzicht
Toch?
Ik wil
alleen het allernieuwste
Jou
tien jaar terug in een
geil jurkje
De wildvreemde collega
die zich van achter
tegen je oprijdt
Je bijt op je lip
je schrijft me brieven
je zegt dat we
vroeg of laat
geen ontkomen aan
Tien jaar terug
een gevonden agenda
afspraken als
"T. straks in de kroeg"
het nieuwe
is er nu wel af
Onderwater
waar ik wacht
waar ik val
waar ik durf
Onderwater geef het licht
beweging aan de dingen
Dan die stilte
dat moment
van het peilloos
alleen zijn
Maar jij,
mijn liefste ander
je trok je witte kleren aan
en je opent wijd je ogen
tegen wegzakkend
waterlicht
De film die we huurden
en ongezien terugbrachten
Nee
dan de avondwinkel
altijd wat te doen
op het gras
voor de boot
Ik zet de tuinslang op het dak
en zet alles weer
op pauze
We drinken om te zwijgen
over wat we morgen bekennen
niet te hebben geweten
Er zit traagheid
waar ooit haast zat
De nieuwheid achter elke muur
de geur van haar halsje
Het veld loopt af
er is een record aan vallende sterren
je slaapzak stinkt naar cola
die we mengen met de wijn
Zittend traag
doorgelopen waar je stil moest staan
en opletten
Onder water adem je uit
terwijl haar tenen net
de bodem prikken
Ik heb je een hete zomer lang
helemaal niets beloofd
en ben daar nooit
op teruggekomen
In je beweging
rust gelatenheid
de bedoeling
niets te laten
Maar dit geval is
nogal duidelijk
een geval van stomme troost
Ik zit zwijgend op de kruk
in het midden van je keuken
de geur van slaap nog om je heen
Je zet druk op de verwonding
Je oude jonge handen
ad rem je kapperstaal
De kamer waar de stemmen
licht van toon en dwang
vertellen hoe je zocht
op een gang zonder deuren
een dansvloer op pauze
hoe in diezelfde trage gang
je silhouet langs roze muren viel
je daarvan weer kopiën maakte
in geen kamer in bijzonder
Je alles
valt toch tegen
In een onbewaakt moment
is zelfreflectie daar
Maar relax
de pijn verdoofd
De zon sluipt de kamer binnen
een zachte vernieling in herinnering
Hongerig de straat op
kort aan de lijn
Het was warm buiten en binnen
lagen we in bed
lazen om en om
iets voor
Er waren buren
en bezoekers
Telefoontjes van bekenden
Weet jij nog
wat we deden
als er wel wat was te doen?
Ik hou het kort
zal niet meer zoeken
Alleen je zeggen
dat ik je vergeet
Soms
het staat te wachten
de hoek van de straat
de achterkamer
het pannetje op het vuur
Geef me je hand, je zegt 't
zonder humor
We hadden tijd, we hadden spijt
we hadden een feest in de kelder
Mijn rug is naakt
en je handen voelen zwaar
nooit meer strelen
iedereen uit elkaar
Wolkjes conversatie
en iedereen speelt gitaar
Maar eersteling
je stopt niet
Je rijgt aaneen
ondertussen
het openstaande raam
Weggaan
Terugkomen
Wegzijn
Teruggaan
Het vernuft zit in details
alle dingen
gelijk zichzelf
De stilte bladdert af
wanneer je wacht op mijn
eerste zinnen
gezongen zonder rijm, de televisie
zoemt
In het vliegtuig zwijg je
nog steeds niet synchroon, de tijd
vlucht voor je uit
Je wist niet dat roken
overal verboden is
Dan spreek je over het gevoel
van dennenaalden onder blote voeten
van een blokje lego in het donker
van het eerste besef van
schokkende oneindigheid
We wachten samen op de bus
en kijken hoe de zon opkomt
winkels gaan open
honden zoeken schaduw
thuis wacht een vederlichte slaap
Uit de waarde van je woorden
een woordeloze weg
je krijgt een cadeautje
voor de moeite
Op straat je tegenkomen
plichtmatig kopje koffie drinken
waar was je al die jaren
dat ik knap en grappig was?
Je bent fataal hetzelfde
nog altijd jonger dan de anderen
en ik lul lieve woordjes
drie zoenen
en we bellen
Nu inzetten
niet nadenken
nu opstaan
Nu opnieuw beginnen
nu de deur forceren
nu vallen uit je tijdcapsule
een weloverwogen vlucht
Terug in de tijd
De te kleine lift
de bladder op de muren
het lekken van het dak
de hoogte van het balkon
In een zonovergoten kamer
streel je ruw je eigen ribben
de kast vol oude kleren
de spiegel onveranderd
Je drinkt
je slokt
om straks niet te verdrinken
Je zou gerust aan alles
opnieuw kunnen beginnen
Niet om de leegloop
niet om de dubbele straat
om hoe je stevig staat
op benen van genieten
Om je op te vangen als
je gooit
twee van jou, twee van mij
Niet om allebei dus
om dubbele momenten
de leegloop van je harten
Wat van iedereen is
wat niet wordt onderhouden
Wat van jou is
waarvoor je zorgt
koestert
kleeft
schat naar waarde
De straten glad en stilte
in elke tegenligger
Met drie pogingen groeten
je draait je niet meer om
Je voelde je thuis
kloppend in je maag
ruizend in je hart
Nog 1 keer terug
wat allang niet meer
van ons is
Ik ga graag
ergens naartoe
met tussendoor
stoppen en uitblazen
als passagier kan je
vragen stellen
We roken er nog een
op de donkerste parkeerplaats
eigenlijk zijn we dan
al uren uitgepraat
Traag
Overdoen
Overdoen
We liepen maar wat af
en zeiden teveel
Op de brug staan hielp niet
staan helpt nooit
We liepen langs de open renbaan
er was een foto in het park
Langzaam
Overdoen
Als pubers brieven schrijven
komt daar vaak
ellende van
Je slaapt in cirkels
en ademt licht in
een bries zucht langs het kussen
Patronen in het donker
slaan spoken van herkenning
slapend onder water
ademt schoonheid licht in
Het is het liefdeloze slapen
dat ons wurgend omarmt
de voetstap op de gang
het krabben aan de deur
Buiten schuift de horizon
gestaag als golf omhoog
We moeten vluchten, hand in hand
angst ontkennend inslapen
Elke beweging
van zwaaien en terugkomen
elke keer
een schuldig handelen
een al te slappe handdruk
een meteen vergeten kennismaking
Elke aanraking sluit uit
van omkeren en opladen - geduld
elke rust
elke slaap een zachte wanhoop
een verdachte voetstap op de binnenplaats
Elke spier beweging
van uitrusten, inpakken
elke slok
elk ontwaken in
vertedering
een korte knip
een droge klap
Je moet me maar...
Als je wilt dan kan je...
Jij pastte jurkjes
Jij droeg leren laarzen en
draaide achterwaarts tegen vreemden in
Hoe ik je...
Dat we...
We lagen in het gras en hadden gesprekken
Onze groen geverfde schoenen
plakkend aan de vloer
En verdovende muziek
en gevoel van jaren negentig
Hoe je zonder geluid
opgewonden
monologen voert
Ik luister hevig ingetogen
bang verkeerd te knikken
Misschien gaan we samen naar je huis
en laat je je bekijken
Op de fiets, op mijn stuur
mijn gezicht in je blonde haar
Mijn handen om je borsten
Dan is er niets meer over.
Een standaard opeenstapeling.
Een open envelop.
Achter het huis ligt de wereld.
Open de avond.
Maar je durft niet.
Hoekig haar handschrift.
Ze is vals gestemd vandaag.
Je telefoon staat op stil.
Je rent met je adem in.
Alsof er niets gebeurd is.
Je belt me op.
Ik ontmoet een meisje met een zwarte hond.
We hebben gedachteloze plannen.
Later bel ik jou.
En stel je toch eens voor:
mijn hoofd loopt leeg als een lekke emmer.
Hoor eens
er zijn schaapjes op de hei
drukte op de weg naar huis
Je hebt zin om weer
aan de slag te gaan
In jezelf gekeerd
naar buiten kijken - misschien tijd
voor andersom
Weet je hoe we konden drinken?
Als broers de nacht doorzochten
op zoek naar *****
Nu
geen tijd meer
En eigenlijk geen zin
De schaapjes maken
bokkesprongen
Begin
altijd met de tweede zin
en
luister nooit naar ouderen
Wie jong is heeft gelijk
Het meisje in de minimarkt
haar adem op mijn arm
We spelen beachball in de branding
tot elk eiland transparant is
Geworden wat ze wilden
en begonnen met beginnen
Toch ergens dat vermoeden
van zinnig eigenzinnig
met zingeving belast
En dan net niet weten hoe
dat netjes op
te stapelen
We wandelen door de regen
mijn fiets aan de hand
langs duur ontworpen nieuwbouw
een gesprek vol nostalgie
Ik droomde dat ik zwom met walvissen
in een peilloos zwarte diepte
Ik werd wakker
dacht aan hoe
Op straf voor te laat opstaan
een welgemeend genoegen
Gootsteen druppelt ritme
ipod zucht op shuffle
Een idee
maar geen ambitie
cryptisch ontevreden
handleiding geen houvast
Je schouders laat ze hangen je
hoofdpijn klopt
een holle drum
Je baalt
bergen van gebrek en
tijd voor
nu nu nu
als goddelijke schijnbeweging
door de benen langs de zijlijn
je biedt me onderdak
en redenen
in een avondvullend flirten
je rust op stiltes
goedkoop publiek
toch hier geen rustig wachten
zomeravondvoetbal
dvd
zandkoekjes
limonade
negentien
vierenzeventig
bloemen komen later
Rest haar niets dan luieren
de rozen klimmen op
langs de spijlen van haar balkon
krullend om haar slippers
Haar stem mompelt meezingen
verlangen naar vakantie
een herinnering aan Benidorm
roze zwembad
piepend luchtmatras
Onder de zon wacht geen werk
een buurman schuurt een deurkozijn
een duifje uit het nestje
valt tussen poezen in de tuin
Op haar schoot de Marie-Claire
met een item over voetbalvrouwen
Niks doet alles
als lucht oningevuld
Erger de toenadering
de magneet in de handpalm
de zomer een middag
op zomaar een plek
Want wat doet verwaaien
geduldig leeg staren
Ze springt van binnenuit
en landt zachtjes onbekend
een beslissende beweging
zomaar doet niks
Hij legt zijn hand op de tafel op zijn hand.
Knikt.
En zegt: ik luister.
We zullen dus iets doen.
Misschien zelfs meer dan een glaasje water.
Geld lenen moet voorzichtig.
Je zit achter in het cafe en voelt je een acteur.
Een goeie in de middag.
Jammer van je Fanta.
Hand op hand en een mooi meisje aan de bar.
Haar taille als een handvat.
Hij wil niet in een bar zitten.
Toch minstens in een eetcafe.
Achter in de bus tel je
olijfbomen in het raam
treinen parallel
staand slapende heren
Ziek weer terug naar huis de
zoete rook nog op je tong
Ik hou je schriftje vast
je waardeloze reprodukties - met zorg
gesigneerd
Geen enkel boek gelezen
geen mp3 geluisterd
met niemand willen spreken
zonnebril zonder pootje
We beten elkaar rauw
likten uit de wond
's nachts een wit leeg strand
tegenlicht de sterren - bootje schommelt
naakt zijn we muziek
(Als het waar was, waar was het dan?
plastic puberromantiek
de bus en boot gemist
ik de tijd en jij de domper
samen stappen we de tent in)
Tussen de bloembakken op je balkon, een verplicht sigaretje.
Je zon weerkaatst weerkaatst.
Echte limonade. Een slak klimt naar drie hoog.
Niemand belt of vraagt.
De poes een zacht croissantje.
Hoe is.
Hoe is alles.
Een draai op je weg.
Een keer op je route.
Wat weet niet wat.
Niets weet van niets.
Weet hoe.
Hoe anders.
Hoe alles is anders.
Hoe alles is ding.
Als je op je zij op de bank ligt, kan je de top van de boom zien.
De lente komt met knoppen.
De middag valt op je gezicht, en komt warm lepeltje-lepeltje.
Buiten hoge hakken.
Het bliepje van je email.
In de keuken druppelde koffie.
De kat krabde aan de deur, de tuin zuchtte.
De buurvrouw in het trapportaal.
De krant viel, de ochtend sloop.
Gisteravond...
Ze draaide zich om, trok het kussen onder haar hoofd en schoof het gordijn opzij.
Het grijze licht viel lusteloos.
Ze kneep haar ogen dicht en vroeg zich af.
Een paar tuinen verderop zong een man een soort van liedje.
En de rotonde in je straat
is een grote wijzerplaat
waar de auto's rondjes draaien
en het stoplicht uren slaat
Zeg dat je zo
zeg dat je dit
zeg dat je zelfs
zeg dat je nu
vliezend in een plastic
huls van tederheid
Glim dat je wilt
draal dat je lacht
Stijg dat je zucht
Zweer dat je pijnt
Je hebt nodig
je hebt maar 1
vluchtend ogenblik
zeg dat jij wel
Ik klik je weg
hoor je grommen
Hoor je hopen
stuiven, plengen
Hoor herinneringen vallen
hoe we zwommen in de regen
ik blaas je
een luchtbed
en ik takel
af en op
mijn enorm handige tas
veertig lege vakjes
een losse
bagagedrager
een zogenaamd slimme
produktverpakking
waar is
mijn zakmes voor het leven?
mijn roken zonder kanker
mijn eindelijk leuke
humor
hoe graag zou ik iets voor je knutselen
als ik wist wat
als ik wat wist
Strak in het wit
keurig
in het raster van
de maatschappij
Wat wil je
nog meer?
Ik doe een beetje dit
en dat
en zus ook
Niets tekort
te lang gewacht
Mijn buren hebben last
van mijn luidruchtig goed
humeur
De katten
stukgeknuffeld
zowaar voldaan
Ik heb zelfs
teveel pennen
Geil hoor
zo'n hobby
ik glim en drink thee
in een kroeg, uitroepteken
ondertussen
nieuwsflits
nu punt nl
mijn vrienden
zijn kwijt
mijn plannen
excuses
maar
jij bent voorgoed
voor slecht
voor flauw
voor lief
's nachts bij Artis stel ik voor
samen over het hek?
eerst rustig
je fiets
op slot aan iets vast
Midden in de nacht sta ik op
en loop door mijn zielige kamer
Ik loop door mijn tuin naar het water
en door het water naar het bos
Ik neem niets mee
want heb niets nodig
Ik hoor de beestjes en de nacht
onder mijn voeten glimt het mos
Onder het mos stroomt het water
onder het water stroomt mijn kamer
Ik ga zonder eten
terug naar bed
met de bladeren op mijn kussen
Op de fiets
op de fiets
onderweg
bonnefooi
Onderweg
onderweg
overnacht
overvalt
Niemand roept
Niemand is
oogjes schaap
in de wei
Rijp mist schaap
geel lantaarnlicht
Sterrenacht
ochtendlief
op de fiets
in de wij
Zo lang
zo niet
gezien
zo stilletjes
ongeholpen
gezocht naar
wat nog hardop
luistert
In je tweedehands huis, je slome leren bank
je lijkt te wonen in een dia
uit mijn moeders
jaren zeventig
Alles
onuitgesproken
al gezegd
Gelukkig zijn in jouw huis
ik zou
kunnen wachten tot
je thuiskomt
Werk aan mijn weg
strooi sneeuw over mijn veld
dat
weet ik
zou wel eens
Een oranje jurk hangt
geruisloos om je lichaam dat
weet ik
vraagt om mijn vingertoppen
Je past een andere
een andere
en een andere
Ik zou op je kunnen wachten
tv kijken
koffie zetten
wachten tot je thuis
komt van
Ik
een zomermiddag
en vijfentwintig radijsjes
Op blote voeten
op een nieuw balkon
Ze
in de verste verte
diept
uit een hoorbaar krullen
zich uit
niet kleur, niet licht
We mailen
ze
mijn leven is
ik ruis je, kus, rug
staat in de deuropening en
belt
Ik vind je lief
gratis
onder drie lagen behang
het nieuwsbericht
Ik dacht dat je
omhoog viel
Dat je jezelf
had afgericht
op verten ingesteld
Maar terwijl we
daar zo lagen
onder schaduwen
van schuim, nieuws en glitter
was ik het
die gevallen was
En jij degene
buiten, met
hollend volle adem
Je bent ouderwets
in de weer
Met vieze handen en
een nieuwe pet op
loop je graven in de tuin
Oude man of vrouw
kijk om, kijk aan
kijk uit
We doen een leven lang
alsof
Ik geef je de tas aan
vol resten en groen
er kleeft mos aan je handen
er groeit water
in je huid
Blijf maar graven
blijf maar lopen, rondjes
om de wasmolen
Straks zal ik je met rust laten
zelfs als je smeekt
om aarde
Wij niet
Wij hebben zand onder onze nagels
Zout in de oren
Wij niet
Wij roesten in het gras
En dragen water in ons hoofd
Wij niet meer
Wij niet
Wij hebben wallen opgeworpen
Vandaag gewoon
niet
Rest niets
dan open dagen
kuilen in de bank
Dan precies weten
waar het kliklaminaat kraakt
Op televisie komt alles op z'n tijd
en je moet ook
de krant nog lezen
Dat je zou verlangen
naar verlangen
naar hoe verlangen
tot verlengen wordt
en open dagen
sluiten
Toen je twee jaar
via via
was ik
verbaasd
Brazilië
Ik zie hoe je bruint, je donkere ogen iets uiteenstaand
de dochter op je buik
En hoe je in het vieze bed lag
de hond, de kat en de vrouw
de zwarte klamboe
jij steeds giechel me niet
Aan de overkant van het plein
loopt achteloos
een presentator
Niets meer aan doen
Aan de overkant blaft een hondje
opgesloten in een kooi
Er is bloesem
er is water
Er zijn pollen en een zomerhit
Ik draai je om en sus je
warm de andere kant
Eventjes offline
Aan de overkant stroomt het water
onberoerd de andere kant op
Bij het bordje ga je
linksaf, de trap af
je vingertoppen langs
de droge zwarte muren
Ik heb gelezen
dat je nog wel eens uitgaat
dat je nog wel eens vrienden
ziet, dat je nog wel eens
de groeten doet
Het gekke is
ik herinner je achternaam niet meer
Beneden in de kelder
het plafond is laag - ik kan er niet
rechtop staan, moet me wurmen
tussen de hele hippe mensen
op het enorme matras
Mijn witte schmink is
uitgelopen, vooral
het puntje
van mijn neus
Ik zit achterin
de auto en probeer
de voorbijglijdende lichten
niet te tellen
niet te tellen